woensdag 3 oktober 2012

82e Deutscher Archivtag (1): historici versus archivarissen


Vorige week nam ik in Keulen deel aan de Deutscher Archivtag, het congres van de Duitse vereniging van archivarissen, de VDA. Tijdens de opening van dit congres sprak de Oberbürgermeister van Keulen een dankwoord uit voor alle steun ondervonden sinds de instorting van het Historisches Archiv. Hij meldde dat uiteindelijk 95% van de stukken is gered. Maar een bijzonder grote krachtsinspanning moet nog volgen om deze stukken weer beschikbaar te krijgen voor het publiek. Naar schatting zijn daar 6000 mensjaren mee gemoeid. De verwachting is dat het nog zo'n 35 jaar zal duren voor dit karwei voltooid zal zijn. Ik heb dan ook veel respect voor stadsarchivaris Bettina Schmidt-Czaia, die aan dit enorme project leiding geeft en bovendien het Historisches Archiv naar nieuwbouw leidt.

Het Duitse congres biedt altijd de gelegenheid voor interessante ontmoetingen met collega's. Zo sprak ik met Istvan Kenyeres, adjunct-directeur van het stadsarchief van Boedapest over het Hongaarse initiatief om de Handleiding van onze Muller, Feith en Fruin te vertalen. Dit past in een streven om de belangrijkste archivistische literatuur in het Hongaars uit te geven. Ander onderwerp was de fusie van de archieven van de komitaten (provincies) met het Hongaarse Nationaal Archief. Die fusie is min of meer gedwongen tot stand gekomen: de provincies waren niet langer in staat deze archieven te bekostigen en de staat wilde alleen de helpende hand bieden als het tot een fusie zou komen. Het doel is efficiency, maar Kenyeres vreest een verdere achteruitgang van de dienstverlening. De kwestie van de archieven van de Hongaarse geheime dienst, die internationaal zoveel beroering wekte, is overigens met een sisser afgelopen. Het kabinet is onlangs gevallen en alles blijft nu bij het oude.

Met enkele Duitse congresgangers sprak ik over de relatie tussen archivarissen en historici. Zij klaagden er over dat historici het heel gewoon vinden, ja het ook verwachten, dat archivarissen de Duitse Historikertag bezoeken, terwijl andersom historici nooit deelnemen aan het Duitse archiefcongres. Historici zijn van mening, zo stelden zij, dat het beleid van archieven door hèn bepaald moet worden. Deze wetenschappers vinden dat zij degenen zijn  die aangeven welke bronnen bij voorrang ontsloten moeten worden en op welk niveau dit moet gebeuren. Zij vinden het dan ook niet meer dan normaal dat archivarissen bij hun bijeenkomsten hun oor te luister leggen en dus acte de présence geven.
Bij dit beeld past de lezing die werd gegeven door Sigrun Eckelmann van de Deutsche
 Forschungsgemeinschaft. Zij beschreef de ontwikkeling van digitale onderzoeks-
omgevingen als een initiatief en verantwoordelijkheid van de wetenschap. Archivarissen spelen daarbij volgens haar een ondersteunende rol. Ik realiseer me dat de situatie in Nederland volledig anders is. Archiefinstellingen formuleren hun eigen beleid en bepalen zelf wat zij ontsluiten en wat zij online plaatsen, vanuit een houding die nog steeds heel aanbod gericht is. Ik neem van het Duitse congres in ieder geval mee dat we nu eens echt werk moeten maken van het gesprek met onze gebruikers, de wetenschappers in het bijzonder, zodat er straks een virtuele onderzoeksruimte tot stand komt die echt aanslaat! Daarbij kunnen we dan bovendien een enquête meenemen dat in Zwitserland is gehouden onder gebruikers van archiefwebsites. Zoals was te verwachten kan voor een meerderheid van de ondervraagden het digitale aanbod niet groot genoeg zijn. Wel plaatste onderzoekster Annkristin Schlichte de kanttekening dat voor de wetenschappelijke onderzoekers onder de geënquêteerden digitaliseren van bronnen volstrekt geen "must" is, zij gebruiken nog altijd graag de originele bronnen.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen